Kenmerkend aspect: Wereldwijde handelscontacten, handelskapitalisme en het begin van een wereldeconomie

Op het einde van de 16de eeuw voeren Nederlandse handelaren wel bij hun handelscontacten met de Spanjaarden. Ook al was er oorlog, toch was er een levendige handel in specerijen, wijn, zijde en verfstoffen tussen handelaren van de twee vijanden. De handelaren van de Republiek verkochten  deze weer door aan heel Noordwest-Europa. Het leverde de Republiek een enorme rijkdom op. In 1598 stelde Filips II daarom een handelsembargo met de Nederlanden in. Zijn besluit werkte echter averechts. De Nederlanders gingen zelf op zoek naar de producten en investeerden veel geld in het opzetten van winstgevende handelsroutes. Zij zouden daarin zeer succesvol zijn.

Al in 1596 hadden de Nederlanders een levensvatbare zeeroute gevonden naar Indië. Door het handelsembargo werden in veel steden Compagnieën van verre opgericht. Dat waren ondernemingen die geld bijeen brachten en daarmee schepen uitrustten die naar Indië zouden varen. In 1601 waren er al 65 schepen naar de Oost gevaren. Toen er zoveel goederen terugkwamen daalden de prijzen op de markt. De handelaren vroegen toen aan de Staten van Holland en Zeeland om regels te maken voor de handel zodat deze wel winstgevend zou blijven. Na lange vergaderingen werd in 1602 door de Staten-Generaal besloten om één handelscompagnie op te richten die het monopolie op de handel met Indië zou hebben, dat was de Verenigde Oost-Indische Compagnie. Het bestuur van de VOC lag bij de Heren XVII, een club van zeventien mannen die afgevaardigd waren uit enkele gewesten en steden. Iedereen in de Republiek kon er een aandeel kopen.

De VOC kreeg bij haar oprichting verregaande soevereine privileges van de Staten-Generaal. Zo mocht ze een eigen leger onderhouden, oorlogsschepen onderhouden, gouverneurs aanstellen over de plaatselijke bevolking, diplomatieke contacten aangaan met lokale bestuurders en verdragen en bondgenootschappen sluiten met hen. De VOC moest wel verslag uitbrengen aan de Staten-Generaal. Langzaamaan veroverde de VOC steeds meer gebieden in Indië. In 1609 werd er een gouverneur-generaal en een raad van Indië aangesteld. Het hoofdkantoor lag in het plaatsje Bantam op het eiland Java. Jan Pietersz. Coen, de gouverneur-generaal in 1619 wist uiteindelijk een stad te veroveren van de Engelsen. Dat was Jakarta, net als Bantam gelegen op Java. Hij joeg de bevolking weg en brandde de stad af. Hij hernoemde de plaats Batavia, het hoofdkantoor werd daarheen verplaatst. Tot de tweede helft van de 18de eeuw zou het het de grootste militaire, marine en commerciële basis zijn van alle Europese volken in Azië. Rond 1700 waren er 6000 Europeanen in Batavia.

  • J.I. Israël, The Dutch Republic. Its Rise, Greatness and Fall (Oxford 1995)
  • J.C.H. Blom e.a., Geschiedenis van de Nederlanden (Rijswijk 1993)
  • R. van Stipriaan, Ooggetuigen van de Gouden Eeuw in meer dan honderd reportages (Amsterdam 2005)