Kenmerkend aspect: Het streven van vorsten naar absolute macht

In 1550 vaardigde Karel V enkele wetten uit die bekend zijn gaan staan als de Bloedplakkaten. De naam ervan doet al vermoeden dat de wetten en maatregelen weinig vriendelijke maatregelen omvatten, het gaat om de vervolgingen en veroordelingen van de steeds groter wordende groep protestanten. Tussen 1523 en 1565 zijn in de Nederlanden ongeveer 1300 mensen ter dood veroordeeld. Deze wetten laten ook de eerste sporen zien van het vorstelijk absolutisme dat in Europa vooral in de zeventiende eeuw door vele koningen werd nagestreefd.

In de Nederlanden werden al sinds de jaren 1520 de geschriften van ketters verbrand. De boeken van Luther bijvoorbeeld werden op 13 april 1521 in Brussel verzameld en tegelijk in brand gestoken. Door het edict van Worms werd het bezit van de boeken van Luther zelfs gelijkgesteld aan majesteitsschennis. Ook in Gent werd een boekverbranding georganiseerd en wel op 25 juli 1521. Daarbij was Karel V zelf aanwezig met een grote groep belangrijke mensen. Karel V zette ook een inquisitiesysteem op om het protestantisme in de noordelijke Nederlanden uit te roeien. Hij vaardigde een reeks van plakkaten uit, wetten om de problemen met het geloof op te lossen. De eerste ketterplakkaten waren mild in hun toon. Zo mochten er geen bijeenkomsten worden georganiseerd waar over het geloof werd gesproken op straffe van een boete die uit kon monden in een hogere straf bij herhaling. Maar vanaf 1523 werden ook de eerste ketters verbrand. Toch bleef het protestantse geloof groeien. Een groot deel van de rechtspraak viel in handen van de lokale overheid waardoor de strenge uitvoering van de plakkaten beperkt bleef. Vaak werden er lagere straffen opgelegd of werden de beklaagden veroordeeld voor andere zaken. In veel gevallen kwam het dus wel tot een veroordeling maar niet tot de doodstraf.

In 1529 werd een strenger plakkaat uitgevaardigd waarin de straffen op ketterij waren verhoogd. Alle mannelijke ketters moesten worden onthoofd en alle vrouwelijke verdronken of levend begraven. Bij volharding moest men levend worden verbrand. De rechtspraak werd neergelegd bij de provinciale raden. In 1531 werd dit plakkaat opgevolgd door een soortgelijk plakkaat specifiek gericht tegen Lutheranen. In 1540 werd er een nieuw plakkaat uitgevaardigd omdat de keizer geschrokken was van de groei van de ketterij en deze toeschreef aan de lokale overheid die de wetten niet goed uitvoerde. Het plakkaat leek veel op dat van 1531, maar nu stond er bij dat de regels strikt moesten worden toegepast. Er bleef dus geen ruimte over voor de rechtbanken om lagere of andere straffen op te leggen. Het gevolg daarvan was dat de rechtbanken nu soms de hele andere kant opkeken en ketterij of aanklachten negeerden omdat er dan maar een uitkomst mogelijk was.

In 1550 was Karel V op het toppunt van zijn macht. In het Duitse rijk had hij net een oorlog gewonnen tegen de protestantse vorsten en dat maakte dat hij nieuwe energie vond in de strijd tegen de ketterij. In een tweetal plakkaten werden de regels nogmaals aangescherpt. Nu moesten mensen die wilden verhuizen zelfs een certificaat laten zien van een pastoor waarin stond dat ze katholiek waren. Deze plakkaten staan bekend als de bloedplakkaten omdat ze allerstrengst zijn in de reeks van plakkaten die Karel V heeft uitgevaardigd. Wat ook belangrijk is om te noemen is dat Karel V bij het uitvaardigen van de plakkaten niet luisterde naar wat verschillende raden hem adviseerden. De makers van de examensyllabus 2015 noemen deze plakkaten als voorbeeld bij het kenmerkend aspect over het streven van vorsten naar absolute macht.

Een goed boek over de 16de eeuw en de Nederlanden waar veel informatie over de kettervervolgingen in staat is J.J. Woltjer, Op weg naar tachtig jaar oorlog (Amsterdam 2011)