Instelling van drie Collaterale Raden, 1531

Kenmerkend aspect: Het begin van staatsvorming en centralisatie

Koningen lieten zich van oudsher al bijstaan door adviseurs die hen konden helpen bij het nemen van beslissingen. In de middeleeuwen groeide een systeem waarin een koning zich omringde met edelen. Deze stonden hem met raad en daad bij en in ruil daarvoor kregen deze edelen gebieden die ze in naam van de koning mochten besturen. Zij namen de besluiten en spraken recht over de onderdanen. Vaak echter kwam er van het motto “in naam van de koning” niet veel terecht en werden de gebieden decentraal bestuurd. Dat betekent dat veel edelen niet zo veel te maken hadden met de koning, ze konden op eigen houtje besturen en recht spreken.

In de late middeleeuwen probeerden steeds meer koningen in Europa de losse delen in hun rijk aaneen te smeden en de complexiteit van het bestuur te vereenvoudigen en naar zich toe te trekken. Zij begonnen een proces van staatsvorming en centralisatie en probeerden op die manier hun macht te vestigen, verstevigen of vergroten. Dat ging niet altijd zonder problemen, want als de koning zijn macht wilde vergroten, ging dat ten koste van edelen of politieke instellingen die hun macht dan moesten verkleinen of zelfs helemaal afstaan.

In de Nederlanden van rond 1500 werd de landvoogdes bijgestaan door een soort van bestuursraad die in Mechelen zetelde, deze voorzag de landvoogdes van advies. In die stad bevond zich ook de Grote Raad, dat was een hooggerechtshof. Daar kon je in hoger beroep gaan als je het niet eens was met een vonnis van een rechter. Toen Karel V in 1531 in Brussel was, veranderde hij de indeling van deze raden en verplaatste hij het regeringscentrum naar die stad. Hij richtte drie Collaterale Raden in. De Raad van State werd het politieke adviesorgaan. In deze raad werden voornamelijk hoge edelen opgenomen. De Geheime Raad moest de wetten uitvoeren en zorgen voor het bestuur. Daarnaast gold deze ook als een nieuw soort hooggerechtshof, in sommige gevallen hoger nog dan de Grote Raad. In de Geheime Raad zaten vooral juristen. Karel V brak hier dus met de macht van edelen, aan wie voorheen dit soort taken waren toevertrouwd. Dat zal echter niet zijn belangrijkste motief zijn geweest, een groot deel van de taken in deze raad was zo complex dat hij daarvoor geschoolde ambtenaren nodig had. De laatste van de drie Raden was de Financiƫle Raad. Die was belast met de financiƫle administratie. In de gewesten liet Karel V zich vertegenwoordigen door stadhouders.

Naast deze instellingen van Karel V werden de Nederlanden ook bestuurd door de gewestelijke Staten en de Staten-Generaal waarin de gewestelijke Staten waren verenigd. Op lokaal niveau had hij te maken met de besturen van de steden en dorpen. Al deze instellingen behielden ondanks de centralisatieplannen van Karel V veel autonomie.